Weerstandsvermogen in culturele organisaties
%2021.jpg)
Samen voor een financieel werk- en weerbare cultuursector
Een vitaal cultuurveld vraagt om financieel gezonde organisaties. Dat benadrukte gedeputeerde Susan Top bij de opening van de bijeenkomst op 30 september die de Kunstraad organiseerde samen met Cultuur + Ondernemen, de Belastingdienst en de gemeente en de provincie Groningen met als onderwerp de financiële buffer.
Zo’n vijftig deelnemers kwamen samen in Het Kasteel: directeuren, zakelijk leiders, accountants en andere professionals die zich bezighouden met financiën en bedrijfsvoering in cultuur. De meeste deelnemers waren zich al bewust van het belang van weerstandsvermogen en wilden vooral weten wat er in de praktijk mogelijk is. Hoeveel financiële ruimte heeft een organisatie nodig? En welke mogelijkheden zijn er om die binnen de huidige regels op te bouwen? In deze terugblik lees je de belangrijkste inzichten van de middag.
Wil je meer weten? Bekijk dan ook de presentatie van Cultuur+Ondernemen en de verslagen van de werksessies met de Belastingdienst en met gemeente en provincie in de linkerkolom! Hieronder vind je de samenvatting.
Hoeveel financiële buffer heb je nodig?
Alexander Ramselaar van Cultuur+Ondernemen begon bij die eerste vraag. Eigen vermogen kan verschillende functies hebben. Het maakt een organisatie weerbaarder tegen tegenvallers, geeft ruimte om te investeren en kan helpen bij het aantrekken van financiering. Hoeveel daarvoor nodig is, verschilt per organisatie. Kijk daarom niet alleen naar een percentage, maar naar wat er daadwerkelijk gebeurt als inkomsten wegvallen. Ramselaar gaf een eenvoudig voorbeeld: een organisatie heeft € 300.000 aan reserves en € 120.000 aan kosten die iedere maand doorlopen. De buffer geeft dan ongeveer tweeënhalve maand om in te grijpen. Zo wordt weerstandsvermogen ineens heel concreet: een buffer koopt tijd. Daarmee kwam vanzelf de volgende vraag op tafel. Als je weet welke buffer je nodig hebt, hoe bouw je die dan op? Eigen vermogen groeit wanneer een organisatie een positief resultaat behaalt en dat mag behouden. Juist daar zit voor culturele organisaties een lastig punt. Van hen wordt verwacht dat ze ondernemend en financieel gezond zijn, terwijl een subsidiebegroting vaak op nul moet sluiten. Die tegenstelling zorgde voor herkenning in de zaal.
Hoeveel ruimte geven de regels?
Die vraag stond centraal in het vervolg van de middag. Na een panelgesprek ging de groep uiteen voor twee werksessies: één met gemeente en provincie over het subsidiebeleid en één met de Belastingdienst over de fiscale regels.
Gemeente en provincie
De gesprekken leverden een genuanceerder beeld op dan ‘een positief resultaat mag niet’. De gemeente Groningen kan onder voorwaarden toestaan dat een positief resultaat wordt toegevoegd aan het eigen vermogen en is daarmee een van de koplopers van Nederland, aldus Ramselaar. De provincie werkt met andere afspraken en liet weinig twijfel bestaan over het belang van een gezonde buffer: “We willen juist dat jullie vet op de botten hebben.” Meer over de mogelijkheden en voorwaarden lees je in het verslag van de werksessie met gemeente en provincie.
Belastingdienst
Ook bij de Belastingdienst bleek meer mogelijk dan sommige deelnemers vooraf dachten. Eigen vermogen is niet hetzelfde als fiscale winst en een ANBI-status staat los van de vraag of een organisatie vennootschapsbelasting moet betalen. Welke fiscale regels gelden, hangt af van de activiteiten en situatie van de organisatie. In het verslag van de werksessie met de Belastingdienst lees je hoe dit precies zit en welke mogelijkheden er zijn om vermogen op te bouwen. De gesprekken maakten ook duidelijk waarom vermogensopbouw in de praktijk soms lastig blijft. Het belang van gezonde reserves wordt breed gedeeld, maar subsidievoorwaarden en fiscale regels zijn daar niet altijd op ingericht. Daardoor kan er verschil zitten tussen wat een organisatie financieel nodig heeft en wat binnen de bestaande regels eenvoudig mogelijk is.
Er is al veel mogelijk
Binnen de huidige regels zijn er al mogelijkheden om vermogen op te bouwen. Begin daarbij bij je eigen organisatie: welke buffer heb je nodig, welke risico’s wil je kunnen opvangen en welke investeringen komen eraan? Bespreek dit op tijd met je subsidiegever en wacht niet tot de jaarrekening. Voor sommige knelpunten is meer nodig. Waar de huidige regels onvoldoende ruimte bieden, kan aanpassing van beleid of wetgeving nodig zijn. Brancheorganisaties kunnen daarin namens de sector een rol spelen.
_02.jpeg)
_01_voorkeurLiefke.jpeg)


_01_klein.jpeg)
%20023%20web.jpg)
_04_Elise_Petra_Trijnie.jpeg)
%2014.avif)



%20016%20web.jpg)
%208.jpeg)

_05.avif)

%20web%2023.avif)